Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
VONNIS VAN DE KANTONRECHTER
[de minderjarige]
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.
De procedure
De feiten
I. KoersExtra met contractnummer [contractnummer 1]
II. KoersExtra met contractnummer [contractnummer 2] ,
hierna te noemen de Overeenkomsten.
Betreft: contracten (…) [contractnummer 1] , [contractnummer 2] ten name van (…) [de minderjarige]
Mij is onlangs gebleken dat mijn echtgenoot, middels door hem verrichte rechtshandelingen, tussen mijn minderjarige kinderen en uw bank (c.q. uw rechtsvoorganger) bovengenoemde effectenleasecontracten tot stand heeft doen komen. Mijn echtgenoot had hiervoor niet mijn toestemming en was hiertoe niet gemachtigd door de kantonrechter, hoewel deze machtiging op grond van artikel 1:345 BW Pro wel was vereist. Nu deze machtiging ontbreekt beroep ik mij op de vernietigingsgrond zoals opgenomen in artikel 1:347 BW Pro, hetgeen tot gevolg heeft dat de gesloten contracten met terugwerkende kracht geacht moet worden niet tot stand te zijn gekomen.
De vordering
Het verweer
De beoordeling.
Dexia heeft aangevoerd dat zij ten tijde van de ontvangst van de betalingen onder de Overeenkomsten te goeder trouw was, zodat zij eerst vanaf het moment van verzuim gehouden is de wettelijke rente te vergoeden, dat is vanaf 17 januari 2006. Daartegenover heeft [eiser] gesteld dat uit een interne notitie van (de rechtsvoorganger van) Dexia uit 2001 blijkt dat Dexia er reeds toen van op de hoogte was dat in geval een overeenkomst met een minderjarige werd gesloten machtiging van de kantonrechter was vereist (productie 11 bij repliek) en dat het derhalve aannemelijk is dat (de voorganger van) Dexia dit ook bij het aangaan van de Overeenkomsten wist.
Dit standpunt en de motivering daarvan zijn door Dexia niet weersproken.
Nu niet in geschil is dat Dexia ervan op de hoogte was dat zij de Overeenkomsten met een minderjarige sloot en zij onvoldoende heeft betwist dat zij wist dat de wettelijk vertegenwoordiger daarvoor machtiging van de kantonrechter nodig had, moest zij beseffen dat vernietiging van de Overeenkomsten zou kunnen volgen met het gevolg dat onverschuldigd was betaald.
Gesteld noch gebleken is dat ook (de vader van) [de minderjarige] zich hiervan bewust was, zodat er geen aanleiding bestaat voor een uitzondering op de regel dat de ontvanger geacht wordt te kwader trouw te zijn, indien hij een goed accepteert, wetende of vermoedende dat het hem niet verschuldigd is.
Dat betekent dat Dexia te kwader trouw was in de zin van art. 6:205 BW Pro, zodat het verzuim is ingetreden op het moment van de ontvangst van de verschillende betalingen. De rente is daarom toewijsbaar vanaf de onderscheiden tijdstippen van die ontvangsten.
Zomin als de hoofdvordering is verjaard zoals hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de kantonrechter dit deel van de vordering verjaard, zodat dat verweer wordt verworpen.
heeft in de procedure een aantal mails en brieven overgelegd waaruit blijkt dat Leaseproces mede voor [de minderjarige] een groot aantal werkzaamheden heeft verricht om voor de groep van voormalige minderjarigen die een effectenleaseovereenkomst hebben gesloten, waaronder [eiser] , voldoening buiten rechte te verkrijgen. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Een vergoeding conform Rapport Voorwerk II is naar het oordeel van de kantonrechter zowel op zichzelf als qua omvang redelijk. Aangezien [eiser] geen hoofdsom vordert waaruit de vergoeding zich eenvoudig kan laten afleiden, zal de kantonrechter om discussie hierover te voorkomen de vergoeding schattenderwijs vaststellen op € 714,- inclusief 19 % btw.
De beslissing
en veroordeelt Dexia tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;