Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[naam gedaagde sub 1]
[naam gedaagde sub 2]
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, zoon van overledene X, vordert betaling van zijn legitieme portie uit de nalatenschap van Y, de weduwe van X, die als enig erfgenaam was aangewezen. Na het overlijden van Y is de vordering opeisbaar geworden. Gedaagde, erfgenaam van Y, betwist de omvang van de nalatenschap en stelt dat hij de nalatenschap niet zuiver heeft aanvaard.
De rechtbank stelt vast dat de nalatenschap van X, na aftrek van begrafeniskosten, €1.750,- bedroeg, waaruit de legitieme portie van eiser €291,67 volgt, vermeerderd met rente tot €340,55. Gedaagde heeft zich echter als ‘heer en meester’ over de nalatenschap van Y gedragen, waardoor hij deze zuiver heeft aanvaard en met privévermogen aansprakelijk is.
Het verzoek van gedaagde om alsnog beneficiair te mogen aanvaarden op grond van artikel 4:194a BW wordt afgewezen omdat deze wet pas na zijn aanvaarding in werking trad en de vordering al bekend was. De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van €402,36 inclusief rente en kosten, en bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €402,36 aan eiser, inclusief rente en kosten; verzoek beneficiaire aanvaarding wordt afgewezen.