ECLI:NL:RBNHO:2017:4194
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Korting deeltijdpensioen op WW-uitkering niet onterecht volgens uitzonderingsregel
Eiser verzocht om herziening van de korting op zijn WW-uitkering vanwege het ontvangen deeltijdpensioen. Hij stelde dat het pensioen onterecht in mindering werd gebracht omdat het samenhangt met het resterende dienstverband en de uitzonderingsregel van het Algemeen Inkomensbesluit (AIB) van toepassing zou zijn.
De rechtbank stelde vast dat eiser pas vanaf juni 2013 het deeltijdpensioen ontving, terwijl hij in februari 2013 minder ging werken en later weer volledig ging werken. Zijn WW-uitkering was gebaseerd op een volledig dienstverband en salaris. Het pensioen was niet in de plaats gekomen van een verlies aan arbeidsuren.
Op grond van artikel 34 van Pro de WW en artikel 3:5 van Pro het AIB moet het pensioen in beginsel in mindering worden gebracht, tenzij voldaan is aan de uitzonderingsregel. De rechtbank concludeerde dat deze uitzonderingsregel niet van toepassing is omdat het pensioen niet samenhangt met een eerder verlies aan arbeidsuren.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland op 24 mei 2017.
Uitkomst: Het beroep tegen de korting op de WW-uitkering wegens het deeltijdpensioen wordt ongegrond verklaard.