Eiseres, geboren in 1927, ontvangt sinds 2004 een vervoersvoorziening vanwege lichamelijke beperkingen door progressieve artrose. Verweerder beëindigde per 1 april 2016 het vervoersbudget, stellende dat eiseres voldoende zelfredzaam is omdat zij een eigen auto bezit en kan rijden. Eiseres betwist dit en voert aan dat verweerder geen adequaat onderzoek heeft gedaan naar haar beperkingen, vervoersbehoefte en financiële draagkracht.
De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht, met name heeft nagelaten te beoordelen of eiseres de kosten van het bezit en gebruik van haar auto kan dragen. De enkele omstandigheid dat zij een auto bezit, betekent niet automatisch dat zij voldoende is gecompenseerd. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie en de bepalingen van de Wmo 2015, die een onderzoeksplicht en compensatieplicht opleggen.
De rechtbank beveelt verweerder aan het gebrek te herstellen door binnen vier weken een aanvullend onderzoek te doen naar de financiële situatie van eiseres, inclusief inkomen, vaste lasten en extra kosten door haar aandoening. Daarna kan verweerder beoordelen of verdere compensatie noodzakelijk is. Tot die tijd wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open.