Eiseres, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, nam een liquidatieverlies van €13.139.000 in haar vennootschapsbelastingaangifte 2010 op. Dit verlies betrof haar deelneming in [B], die haar activiteiten deels overdroeg aan andere verbonden lichamen binnen het concern. Verweerder corrigeerde dit verlies omdat de aandelen in [D], waarin de onderneming was voortgezet, werden gehouden door verbonden lichamen.
De rechtbank onderzocht de toepassing van artikel 13d, negende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die oneigenlijk gebruik van de liquidatieverliesregeling bij voortzetting binnen een concern moet voorkomen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de verbondenheid moet worden beoordeeld op het moment van voortzetting direct na overdracht van de ondernemingsactiviteiten.
De rechtbank concludeerde dat het liquidatieverlies pas bij voltooiing van de vereffening in aanmerking kan worden genomen, maar dat dit niet betekent dat de verbondenheid op dat moment moet worden getoetst. Omdat de aandelen in [D] vóór de verkoop aan een niet-verbonden partij werden gehouden door verbonden lichamen, is voldaan aan de voortzettingsbepaling en kan het liquidatieverlies niet worden genomen.
Eiseres' betoog dat de voortzetting niet door fiscale motieven was ingegeven en dat de aandelen ten tijde van vereffening door een niet-verbonden partij werden gehouden, faalde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.