Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2017:6141

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 mei 2017
Publicatiedatum
20 juli 2017
Zaaknummer
5848752
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BWArt. 6:92 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over ontruiming en huurachterstand bedrijfsruimte met redelijke uitleg boetebeding

In deze zaak verhuurt eiseres een bedrijfsruimte aan gedaagde, die een huurachterstand van 17 maanden heeft opgebouwd. Eiseres vordert ontruiming van de bedrijfsruimte, betaling van de achterstallige huur, boetes en incassokosten.

De kantonrechter verleent verstek tegen gedaagde en overweegt dat de vordering tot ontruiming en betaling van de huurachterstand toewijsbaar is, aangezien deze niet ongegrond is en er sprake is van spoedeisend belang. De gevorderde handelsrente wordt afgewezen omdat deze niet samen met de boete kan worden toegewezen.

De kantonrechter geeft een redelijke uitleg aan het boetebeding in de algemene bepalingen, waarbij per maand een boete van minimaal € 300,00 geldt. Dit leidt tot een boetebedrag van € 5.100,00 in plaats van het door eiseres berekende hogere bedrag. Incassokosten worden toegewezen tot het wettelijke tarief over het toegewezen bedrag. Proceskosten worden aan gedaagde opgelegd.

Het vonnis bevat een uitvoerbaar bij voorraad verklaring en wijst de overige vorderingen af.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, boete en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton - locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 5848752 \ VV EXPL 17-52
Uitspraakdatum: 18 mei 2017
Vonnis in kort geding in de zaak van:
[eiseres]
gevestigd te [vestigingsplaats]
eiseres
verder te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. G.K.L. de Wijkerslooth
tegen
[gedaagde]
gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]

1.Het procesverloop

1.1.
[eiseres] heeft [gedaagde] op 6 april 2017 gedagvaard.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen. De kantonrechter heeft verstek tegen [gedaagde] verleend.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] verhuurt krachtens huurovereenkomst van 28 november 2014 een bedrijfsruimte aan de [a-straat] te [plaats] (hierna: de bedrijfsruimte) aan [gedaagde] .
2.2.
De huur bedraagt € 700,00 per maand.

3.De vordering

3.1.
[eiseres] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt tot:
- ontruiming van de bedrijfsruimte binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis;
- betaling van € 700,00 per maand vanaf 1 april 2017 tot het moment van ontruiming en betaling van de boete over de openstaande huurpenningen vanaf april 2017 tot de dag van algehele voldoening;
- betaling van € 78.689,80, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 76.836,29 vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
- betaling van de proceskosten, met inbegrip van de nakosten.
3.2.
Zij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat er een huurachterstand van 17 maanden is, ter hoogte van € 11.900,00, en [gedaagde] op grond van artikel 18.2 van de algemene bepalingen een boete verschuldigd is, die tot 1 april 2017 € 63.782,79 bedraagt. [gedaagde] heeft op 8 maart 2017 een bedrag van € 700,00 voldaan. Voorts is [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts dan aanleiding is, wanneer het bestaan en de omvang van de vordering waarschijnlijk of voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terug-betaling (het restitutierisico) - bij afweging van de belangen van partijen - niet aan toewijzing in de weg staat. Deze vereisten zijn communicerende vaten. Indien er minder sprake is van onverwijlde spoed, dient de omvang van de vordering waarschijnlijker te zijn.
4.2.
De vordering ten aanzien van de huurachterstand van € 11.200,00, de komende huurtermijnen en de ontruiming zal worden toegewezen omdat deze naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig is. Ten aanzien van de gevorderde handelsrente over de huurtermijnen is de kantonrechter voorshands van oordeel dat deze afgewezen dient te worden, nu de wettelijke handelsrente over de hoofdsom niet tezamen met de boete kan worden toegewezen, dit gelet op het bepaalde in artikel 6:92 BW Pro.
4.3.
Ten aanzien van de gevorderde boete overweegt de kantonrechter als volgt. In artikel 18.2 van de algemene bepalingen is opgenomen dat bij niet tijdige betaling van de huur:
“huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van verschuldigde per kalendermaand [verbeurt], waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.”
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat de door [eiseres] gedane berekeningswijze in strijd is met het bepaalde in artikel 18.2 van de algemene bepalingen. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt voorshands met zich dat per maand waarin er een huurachterstand bestaat de boete van 2% van de in die maand totale huurachterstand dient te worden berekend, met een minimum van € 300,00. Berekend over de periode dat geen huur is betaald, blijkt dat volgens de hiervoor genoemde systematiek elke maand de boete neerkomt op een bedrag van € 300,00, omdat in elke maand de achterstand niet zó hoog was dat 2% daarvan méér bedroeg dan € 300,00. De boete tot 1 april 2017 bedraagt derhalve 17 x
€ 300,00, dus totaal een bedrag van € 5.100,00. Dit bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering van de mogelijk in de toekomst verschuldigde boetes is de kantonrechter van oordeel dat daarvoor thans geen spoedeisend belang bestaat.
4.5.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Nu een substantieel deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW Pro) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag, zijnde € 945,00.
4.6.
De proceskosten, inclusief de nakosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt. De gevorderde wettelijke rente, (en niet de handelsrente, nu de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW slechts toewijsbaar is als sprake is van een handelsovereenkomst, waar bij proceskosten geen sprake van is) over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijnen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] bij wijze van voorlopige voorziening om de bedrijfsruimte aan de [a-straat] te [plaats] na betekening van dit vonnis te ontruimen, leeg op te leveren en de sleutels over te dragen aan [eiseres] en om aan [eiseres] aan huur te betalen € 700,00 per maand tot het moment van ontruiming;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 17.245,00;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 80,42
griffierecht € 117,00
salaris gemachtigde € 600,00;
vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis of vanaf de gevorderde datum (als deze later gelegen is) tot de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten worden gemaakt, met een maximum van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis of vanaf de gevorderde datum (als deze later gelegen is) tot de dag van volledige betaling;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Röell-Mulder en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter