Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[naam eiser2]
1.Het procesverloop
2.De feiten
€ 699,00 per maand.
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een geschil over de geldigheid van een huurovereenkomst die oorspronkelijk was aangegaan onder een vergunning op grond van de Leegstandwet. De verhuurder had de vergunning ingetrokken gekregen omdat hij onjuiste informatie had verstrekt bij de aanvraag. De huurders vorderden dat de huurovereenkomst zonder beperkingen zou voortduren en dat de verhuurder aansprakelijk zou zijn voor schade door pogingen tot ontruiming.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de vergunning formele rechtskracht heeft gekregen en dat de huurbescherming van artikel 7:272 BW Pro daarom van toepassing is. De huurovereenkomst is niet van korte duur van aard, omdat deze voor onbepaalde tijd is aangegaan met een minimale duur van zes maanden en geen duidelijke bepaling bevat dat de huur eindigt bij verkoop van de woning.
De tegenvordering van de verhuurder tot ontruiming wordt afgewezen omdat de opzegging niet rechtsgeldig is en geen opzeggingsgrond vermeldt. Ook wordt de verhuurder veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat ontruiming niet heeft plaatsgevonden en de schade onvoldoende is onderbouwd.
Uitkomst: De huurovereenkomst blijft van kracht zonder beperkingen op grond van de Leegstandwet en de tegenvordering tot ontruiming wordt afgewezen.