ECLI:NL:RBNHO:2017:6492

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 augustus 2017
Publicatiedatum
31 juli 2017
Zaaknummer
C/15/259340 / FA RK 17-2957
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.E. Heyning-Huydecoper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag over minderjarigen afgewezen

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 2 augustus 2017 uitspraak gedaan in een verzoek van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over haar minderjarige kinderen. De vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. S. Akkas, heeft aangevoerd dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de kinderen is, onderbouwd met claims van geweld in het verleden en de psychische problemen van de man. De man is niet verschenen op de zitting, maar de Raad voor de Kinderbescherming heeft wel een vertegenwoordiger gestuurd die het belang van de kinderen benadrukte.

De rechtbank heeft vastgesteld dat, hoewel er in het verleden problemen waren, de situatie tussen de ouders inmiddels verbeterd is en er normaal contact plaatsvindt. De rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat beide ouders het eens zijn over de wijziging van het gezag niet voldoende is om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. De rechtbank heeft de belangen van de kinderen als leidend principe genomen en geconcludeerd dat er geen onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders.

Daarom heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag te beëindigen afgewezen. De beschikking is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd
locatie Haarlem
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/259340 / FA RK 17-2957
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 2 augustus 2017
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Akkas, gevestigd te Haarlem,
--tegen--
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen: de man.

1.Verloop van de procedure

1.1
Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:
- het op 19 mei 2017 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw.
1.2
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 13 juli 2017 in aanwezigheid van de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) was aanwezig [naam] .
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.De vaststaande feiten

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:
2.1
Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 27 juni 2012 is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 31 januari 2012.
2.2
Het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [minderjarigen] :
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
is na de echtscheiding in stand gebleven.
3 Het verzoek en de grondslag daarvan
3.1
Het verzoek van de vrouw strekt tot wijziging van het gezag over voornoemde minderjarigen.
3.2
De vrouw heeft haar verzoek gebaseerd op de stelling dat het niet langer in het belang van de kinderen is dat het gezamenlijk gezag blijft voortduren.

4.Beoordeling van het verzoek

4.1
Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.2
Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.3
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aanvankelijk aangevoerd dat partijen een verleden hebben waarin veel geweld heeft plaatsgevonden. Zij heeft om dit aan te tonen meerdere aangiften overgelegd uit het jaar 2011, de periode vlak voor de echtscheiding. Zij stelt dat nadien is gebleken dat de man psychische problemen heeft en niet bij machte is om het gezag uit te oefenen.
In aanvulling op het verzoekschrift heeft de vrouw ter zitting nog als reden om het eenhoofdig gezag te verzoeken gegeven dat de man op korte termijn naar Turkije gaat vertrekken en daar zal blijven.
4.4
De vertegenwoordiger van de Raad heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat, nu beide ouders achter deze beslissing staan, zij het in dit geval in het belang van de kinderen acht om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Zij hoopt wel dat het contact tussen de man en de kinderen goed blijft en dat de kinderen met hem contact zullen kunnen blijven houden als hij in Turkije gaat wonen.
4.5
De rechtbank merkt op dat ingevolge de jurisprudentie (onder andere ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5557) het enkele feit dat partijen overeenstemming hebben omtrent het gezag in beginsel onvoldoende is om het verzoek van de vrouw zonder meer toe te wijzen, ook niet nu de verzochte gezagsvoorziening de instemming heeft van de man. Het gaat in gezagskwesties om de belangen van kinderen die niet ter vrije beschikking van de ouders staan. Daarom zal de rechtbank de feitelijke gronden van het verzoek van de vrouw nader inhoudelijk beoordelen aan de hand van belangen van de kinderen zoals neergelegd in de wettelijke criteria.
4.6
De rechtbank begrijpt uit de stukken dat de periode voor en direct na de echtscheiding zeer turbulent is geweest waarin sprake is geweest van fysiek en verbaal geweld. Desgevraagd heeft de vrouw ter zitting echter verklaard dat de onderlinge verhouding tussen partijen tegenwoordig veel beter is en dat de man wekelijks bij haar op bezoek komt om de kinderen te zien. Bij deze gelegenheid overleggen partijen ook over de kinderen.
4.7
De rechtbank concludeert hieruit dat de situatie tussen partijen inmiddels ten goede is gekeerd en er normaal contact plaatsvindt, zodat er thans geen onaanvaardbaar risico meer is dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders wanneer de ouders het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. De eerst genoemde reden van de vrouw om eenhoofdig gezag te verzoeken acht de rechtbank derhalve ongegrond.
4.8
Ten aanzien van de door de vrouw ter zitting nog genoemde reden, te weten dat de man voornemens is om naar Turkije terug te keren, merkt de rechtbank op dat, daargelaten de vraag of het onmogelijk is om het gezamenlijk gezag uit te oefenen wanneer een ouder op afstand woont, de vrouw haar stelling dat de man serieuze verhuisplannen heeft niet met enig bewijsstuk heeft onderbouwd. Nu de verhuizing aldus als een onzekere toekomstige gebeurtenis moet worden aangemerkt, kan ook deze op dit moment geen grond vormen om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten.
Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

5.Beslissing

De rechtbank:
Wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. Kroon als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.