Uitspraak
1.Verloop van de procedure
18 september 2017 in aanwezigheid van de vader, bijgestaan door mr. F.D. van Damme en de moeder, bijgestaan door mr. W.I. Feenstra.
2.De vaststaande feiten
[minderjarige]geboren.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen hadden tot juni 2016 een affectieve relatie waaruit een minderjarige is geboren. De vader heeft de minderjarige erkend en de moeder heeft het gezag. De vader verzocht om gezamenlijk ouderlijk gezag en diende daarnaast een verzoek in voor een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro, waaronder het schorsen van de procedure tot achternaamswijziging en het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling.
De moeder voerde verweer dat het verzoek tot schorsing achterhaald was omdat de achternaamswijziging reeds was toegekend. Tevens stelde zij dat het verzoek tot voorlopige omgangsregeling te laat en zonder samenhang met een bodemprocedure was ingediend, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk was.
De rechtbank stelde vast dat het verzoek tot schorsing was ingetrokken en dat het verzoek tot voorlopige omgangsregeling niet-ontvankelijk was omdat er geen samenhang bestond met de hoofdzaak en het verzoek bovendien op een onredelijk laat moment was ingediend, wat strijdig was met de goede procesorde. De vader had bovendien ruim een jaar geen omgang verzocht, wat de situatie bemoeilijkte.
De rechtbank verklaarde het verzoek van de vader niet-ontvankelijk en wees erop dat tegen deze beschikking hoger beroep mogelijk is binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot voorlopige omgangsregeling wegens gebrek aan samenhang met de hoofdvordering en strijd met de goede procesorde.