Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2017 in de zaken tussen
[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
€ 567 is gehandhaafd.
Overwegingen
23 augustus 2010 is een aanmaning verzonden, op grond waarvan de aangifte Vpb alsnog uiterlijk 6 september 2010 moest worden ingediend. Met dagtekening 20 november 2010 is aan eiseres ambtshalve de aanslag Vpb 2008 opgelegd naar een geschatte belastbare winst ten bedrage van
€ 435.052. Eiseres heeft op 7 december 2010 een aangiftebiljet Vpb 2008 ingediend naar een verlies van € 24.469.
In 2008 en 2009 was er dus geen “eigen” praktijk, maar werd er wel opbrengst behaald met werkzaamheden in de praktijk van een derde en uit vorderingen (…).
14 november 2015 waarin staat vermeld dat eiseres is gevestigd aan de [ADRES]
[ADRES] . Verder blijkt dat de heer dr. [A] (hierna: de heer [A] ) bij eiseres als bestuurder (alleen/zelfstandig bevoegd) in functie is vanaf 23 oktober 2003. [C BEDRIJF] N.V., een vennootschap ingeschreven in het handelsregister van Curaçao, is enig aandeelhouder van eiseres sinds 22 juni 2005.
Address Unknown Address
Country Curaçao
Mailing address (same as above)
Description English (…)”
(ex art. 73a Fw.) ten name van de heer [A] waaruit het volgende blijkt:
€ 238.165 respectievelijk € 202.233. Voor het jaar 2009 dient de investeringsaftrek voor een bedrag van € 8.467 te worden gecorrigeerd. Volgens voornoemde rapport dient het belastbaar bedrag voor het jaar 2008 te worden vastgesteld op € 213.696 en het belastbaar bedrag voor het jaar 2009 te worden vastgesteld op € 116.190 negatief. In het rapport staat over het jaar 2009 nog het volgende:
BNB 2002/290). Voor de beoordeling of de kosten van de schepen ten laste van de winst van eiseres kunnen worden gebracht, dient te worden beoordeeld of de heer [A] als (middellijk) aandeelhouder van eiseres kan worden aangemerkt en of de kosten naar hun aard al dan niet een zakelijk karakter hebben. Verweerder heeft de bewijslast dienaangaande in het kader van de normale bewijslastverdeling.
2 augustus 2007 worden opmerkingen gemaakt over het rendabel maken van het schip de [B BEDRIJF] en de intenties van de heer [A] , waarin onder meer staat “het schip kostenneutraal in de vaart te houden”. Hieruit volgt dat geen oogmerk bestond om winst te maken met dat schip. Ook stukken over mogelijke sponsoring dateren van twee à drie jaar na inbreng van de schepen in [B BEDRIJF] B.V. Bij aankoop van het schip was hier kennelijk niet aan gedacht. In objectieve zin is geen sprake van een onderneming. Uit de stukken kan ook niet worden afgeleid dat de [A BANK] bereid is geweest de kosten van de schepen te financieren.
Beslissing
mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.