ECLI:NL:RBNHO:2017:9103
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de pseudo-eindheffing crisisheffing in loonbelasting en toekenning immateriële schadevergoeding
Eiseres, een naamloze vennootschap actief in juridische en fiscale dienstverlening, maakte bezwaar tegen de afdracht van de pseudo-eindheffing (crisisheffing) over het jaar 2014. Zij stelde dat deze heffing in strijd was met het wettelijke systeem van de Wet op de loonbelasting 1964, het Eerste Protocol van het EVRM en het gelijkheidsbeginsel uit artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro.
De rechtbank verwees naar de arresten van de Hoge Raad van 29 januari 2016, waarin werd bevestigd dat artikel 32bd van de Wet een voldoende wettelijke basis biedt voor de crisisheffing en dat deze niet discriminerend is. De rechtbank vond geen aanleiding om hiervan af te wijken en oordeelde dat de crisisheffing niet in strijd is met het wettelijke systeem noch met het EVRM of IVBPR.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep was overschreden met circa 1,5 jaar. Dit leidde tot de toekenning van een immateriële schadevergoeding van €1.500 aan eiseres wegens spanning en frustratie. Tevens werden proceskosten van €495 aan eiseres toegekend en het betaalde griffierecht van €328 vergoed.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland te Haarlem op 3 november 2017.
Uitkomst: Het beroep tegen de crisisheffing wordt ongegrond verklaard en eiseres ontvangt een immateriële schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.