ECLI:NL:RBNHO:2017:9104
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling crisisheffing loonbelasting en toekenning immateriële schadevergoeding
Eiseres, een financiële holding en houdstermaatschappij, betwist de toepassing van de crisisheffing (pseudo-eindheffing) over het door haar aan haar dga doorbetaalde loon in de jaren 2013-2016. Zij stelt dat de heffing niet rechtsgeldig is en in strijd met het Eerste Protocol bij het EVRM, het gelijkheidsbeginsel en de Wet op de loonbelasting 1964. De rechtbank verwijst naar arresten van de Hoge Raad van 29 januari 2016, waarin is bevestigd dat de crisisheffing een wettelijke basis heeft en niet discriminerend is.
De rechtbank oordeelt dat ook het doorbetaalde loon onder de crisisheffing valt op grond van artikel 32d van de Wet op de loonbelasting 1964. Eiseres’ stelling dat sprake is van twee dienstbetrekkingen wordt verworpen, omdat het doorbetaalde loon fiscaal wordt toegerekend aan de hoofdwerkgever. Daarnaast wordt vastgesteld dat de crisisheffing niet in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom onder het EVRM, omdat de heffing voldoet aan de vereisten van wettigheid, legitiem doel en fair balance.
Verder concludeert de rechtbank dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase van twee jaar is overschreden met circa 1,5 jaar, wat recht geeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de Staat veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten worden aan eiseres toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Staat veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.