ECLI:NL:RBNHO:2017:9106
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de rechtmatigheid van de pseudo-eindheffing crisisheffing in de loonbelasting
Eiseres, een naamloze vennootschap binnen de beleggingsinstellingen, maakte bezwaar tegen de afdracht van de crisisheffing (pseudo-eindheffing) over het tijdvak maart 2013, omdat zij meende dat deze heffing niet strookte met het systeem van de Wet op de loonbelasting 1964 en in strijd was met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De rechtbank verwees naar de arresten van de Hoge Raad van 29 januari 2016, waarin werd bevestigd dat artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting een voldoende wettelijke basis biedt voor de crisisheffing en dat deze heffing niet onverbindend is. Tevens werd geoordeeld dat de crisisheffing niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM, omdat de heffing een legitiem algemeen belang dient en de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft.
Eiseres voerde aan dat de crisisheffing een individuele en buitensporige last vormt, mede door terugwerkende kracht en het betrekken van loonbestanddelen uit eerdere jaren. De rechtbank vond echter dat eiseres onvoldoende feiten had aangevoerd om dit te onderbouwen. Ook het beroep op discriminatie op grond van artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro werd verworpen, conform eerdere uitspraken van de Hoge Raad.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding is tot proceskostenveroordeling. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer op 3 november 2017 te Haarlem.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de crisisheffing wordt ongegrond verklaard.