Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Bewijs
en in hetlichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
poging doodslag
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sancties
27 september 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet reeds eerder ter zake van misdrijf tot een onherroepelijk straf is veroordeeld.
- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis alsmede een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens;
- op het bewezen verklaarde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.
7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer]heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 36.005,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2017.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
VIER [4] JAAR.
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 20.217,01, bestaande uit € 5.217,01 als vergoeding voor de materiële en € 15.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
€ 20.217,01 ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] , bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal van dit bedrag hechtenis wordt toegepast voor de duur van 137 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2017, met dien verstande dat toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.