ECLI:NL:RBNHO:2018:10238
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verrekening van uitbetaling niet opgenomen vakantiedagen met WW-uitkering
Eiser ontving sinds november 2015 een WW-uitkering en werkte vanaf april 2016 via een uitzendbureau bij een werkgever. In februari 2017 kreeg hij een nabetaling voor niet opgenomen vakantiedagen. Verweerder trok daarop de WW-uitkering over die maand in en vorderde de teveel betaalde uitkering terug omdat het inkomen hoger was dan 87,5% van het maandloon.
Eiser stelde zich op het standpunt dat hij onbillijk werd behandeld omdat hij ongewild in deze situatie was gekomen en dubbel werd gestraft. Verweerder erkende aanvankelijk een onjuiste wettelijke grondslag, maar corrigeerde deze later en baseerde het besluit op het juiste recht.
De rechtbank oordeelde dat de nabetaling moet worden aangemerkt als loon en dus inkomen uit arbeid in de zin van de WW. De toerekening aan februari 2017 is correct omdat de werkgever het loon in die maand heeft opgegeven. Hoewel de systematiek voor eiser onredelijk kan aanvoelen, is dat een gevolg van de wetgever en niet de rechter. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, maar eiser krijgt het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van de WW-uitkering wegens uitbetaling van vakantiedagen wordt ongegrond verklaard.