Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2018:10241

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 april 2018
Publicatiedatum
26 november 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5234
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12c lid 3 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 690 Boek 7 Burgerlijk WetboekArt. 691 lid 3 Boek 7 Burgerlijk WetboekArt. 6:22 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling opvolgende dienstbetrekkingen voor dagloonberekening Ziektewet

Eiser was in twee periodes in dienst bij hetzelfde uitzendbureau met een onderbreking van ongeveer drie weken waarin hij niet werkte. Hij meldde zich ziek op 31 januari 2017 en kreeg vanaf 20 maart 2017 een Ziektewetuitkering. Het geschil betrof de berekening van het dagloon waarop de uitkering is gebaseerd.

Eiser stelde dat alleen het loon vanaf 19 december 2016 meegenomen moest worden omdat er geen sprake was van direct opvolgende dienstbetrekkingen. Verweerder stelde dat de onderbreking zonder werkloosheidsuitkering niet leidde tot het verbreken van de inkomstenverhouding en dat het dagloon daarom vanaf 22 augustus 2016 berekend moest worden.

De rechtbank concludeerde dat er sprake was van één inkomstenverhouding en dat de dienstbetrekkingen elkaar opvolgden binnen zes maanden, conform artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit en artikel 691 lid 3 van Pro Boek 7 BW. De door verweerder overgelegde Suwinet-informatie werd door eiser niet langer betwist. De rechtbank verwierp het beroep van eiser en verklaarde het ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit over de dagloonberekening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 17/5234

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H. Klijnstra),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. W.M.G. van Nieuwburg).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het dagloon waarop eisers ziekengeld in het kader van de Ziektewet (ZW) is gebaseerd, vastgesteld op € 20,18.
Bij besluit van 23 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het dagloon vastgesteld op € 24,33.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018. Eiser is niet verschenen, maar wel zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is in de periode van 22 augustus 2016 tot en met 27 november 2016 en van 19 december 2016 tot en met 19 maart 2017 in dienst geweest van uitzendbureau [naam] .
In de periode van 28 november 2016 tot en met 18 december 2016 heeft eiser geen betaalde arbeid verricht. Eiser heeft zich op 31 januari 2017 ziekgemeld. Op dat moment was hij in dienst van uitzendbureau [naam] . Zijn uitzendovereenkomst is per 19 maart 2017 van rechtswege geëindigd. Vanaf 20 maart 2017 is aan eiser een ZW-uitkering toegekend.
2. Eiser voert aan dat zijn dagloon gebaseerd moet worden op het loon dat hij verdiende vanaf 19 december 2016. Het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: het Dagloonbesluit) bepaalt dat er moet worden uitgegaan van het aantal dagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de verse periode. Het verdiende loon in de periode 22 augustus 2016 tot en met 27 november 2016 kan niet bij de berekening worden betrokken, omdat geen sprake is van direct opvolgende dienstbetrekkingen.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van eiser geen sprake is van direct opvolgende dienstbetrekkingen omdat eiser in de periode van 28 november 2016 tot
19 december 2016 niet in dienst is geweest van [naam] Uitzendbureau. Echter, een ruime uitleg van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit brengt mee dat perioden van niet werken zonder werkloosheidsuitkering tussen verschillende uitzendopdrachten kunnen worden beschouwd als één inkomstenverhouding. Bij de berekening van de hoogte van het dagloon dient, gelet hierop, uit te worden gegaan van een doorlopende inkomstenverhouding en daarmee vangt de referteperiode voor de berekening van het dagloon aan op 22 augustus 2016.
4.1.
Op grond van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, wordt onder loon tevens verstaan de som van het loon, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de werknemer bij één werkgever als bedoeld in artikel 690 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, meer elkaar opvolgende dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 691 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gehad en deze dienstbetrekkingen in de loonaangifte vanaf de aanvang van de eerste dienstbetrekking worden aangemerkt als één inkomstenverhouding.
4.2.
Eerst ter zitting heeft verweerder informatie uit Suwinet overgelegd en daarmee onderbouwd dat uit Suwinet kan worden afgeleid dat sprake is van één inkomstenverhouding. Na het inzien van deze informatie heeft de gemachtigde van eiser aangegeven het bestaan van één inkomstenverhouding niet langer te betwisten. Wel blijft de vraag of sprake is van direct opvolgende dienstbetrekkingen.
4.3.
Nu eerst ter zitting duidelijk is geworden dat en waarom verweerder zich op het standpunt stelt dat sprake is van één inkomstenverhouding, bevat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Eiser is immers door deze ontoereikende motivering niet processueel of materieel in zijn belangen geschaad. Eiser heeft immers ter zitting op de (aanvullende) motivering kunnen reageren.
4.4.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of ook aan het tweede vereiste als genoemd in artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit is voldaan, namelijk of sprake is van elkaar opvolgende dienstbetrekkingen. Eiser is binnen zes maanden ná het einde van zijn eerste uitzendovereenkomst weer een nieuwe uitzendovereenkomst aangegaan met dezelfde werkgever. Gelet op het derde lid van artikel 691 van Pro boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, in samenspraak met het derde lid van artikel 12c van het Dagloonbesluit, is daarom sprake van één opvolgende dienstbetrekking.
4.5.
Ter zitting heeft eiser naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van
6 augustus 2015 verwezen, ECLI:NL:RBGEL:2015:5167. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is geweest van één uitzendovereenkomst en niet van twee, omdat betrokkene in de periode tussen de twee uitzendovereenkomsten een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen wegens tijdelijke sluiting van het bedrijf waar betrokkene uitgezonden was. Volgens eiser dient deze uitspraak in zijn voordeel te worden uitgelegd omdat hieruit zou kunnen worden afgeleid dat indien betrokkene in de tussenliggende periode elders heeft gewerkt, geen sprake kan zijn van opvolgende dienstbetrekkingen.
4.6.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. In de uitspraak waar eiser naar heeft verwezen was sprake van één doorlopende uitzendovereenkomst. Eiser heeft twee verschillende en elkaar opvolgende uitzendovereenkomsten bij hetzelfde uitzendbureau gehad. De vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Gelderland gaat reeds hierom niet op. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H. Belevska, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.