ECLI:NL:RBNHO:2018:1250
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.F. Miedema
- H.M. van Dam
- A. Stefels
- Rechtspraak.nl
Verdeling echtelijke woning en gemeenschap van goederen bij echtscheiding
In deze zaak staat de verdeling van de echtelijke woning centraal na de echtscheiding van partijen. De man stelt dat de woning voor meer dan de helft met zijn privévermogen is verworven en daarom buiten de gemeenschap van goederen valt op grond van artikel 1:95 BW Pro. Hij baseert dit op leningen, schenkingen en kwijtscheldingen van zijn ouders met uitsluitingsclausule.
De vrouw betwist dit en voert aan dat de man niet heeft aangetoond dat hij de woning voor meer dan de helft uit privévermogen heeft gefinancierd. Zij wijst erop dat de man bij de verkrijging van het perceel en de bouw van de woning leningen heeft afgesloten bij de bank, zijn vader en een bv, en dat de schenkingen en kwijtscheldingen pas later plaatsvonden.
De rechtbank stelt vast dat de financiering van het perceel en de woning niet gelijktijdig met de schenkingen en kwijtscheldingen heeft plaatsgevonden, waardoor niet kan worden gesproken van een samenstel van rechtshandelingen zoals vereist door de Hoge Raad. Daarom behoort de woning tot de gemeenschap van goederen. De woning wordt aan de man toegewezen, onder de voorwaarde dat hij aan de vrouw de helft van de waarde minus zijn vergoedingsrecht van €508.000 betaalt. De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De echtelijke woning maakt deel uit van de gemeenschap van goederen en wordt aan de man toegewezen met een vergoeding aan de vrouw.