Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[passagier 1]
[passagier 2]
[kind 1] , [kind 2] en [kind 3]beiden wonende te [woonplaats] (Duitsland)
Rechtbank Noord-Holland
De passagiers vorderden compensatie van Air Europa wegens een vertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van Amsterdam naar Miami via Madrid op 22 juni 2016. De vertraging ontstond doordat de vlucht van Amsterdam naar Madrid met bijna twee uur vertraagd vertrok, waardoor de aansluitende vlucht naar Miami werd gemist. Air Europa weigerde compensatie te betalen.
De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de passagiers niet-ontvankelijk waren voor zover zij namens hun minderjarige kinderen optraden zonder machtiging. De kern van het geschil was of de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 261/2004.
Air Europa voerde aan dat de vertraging werd veroorzaakt door het onwel worden van een passagier op de voorgaande vlucht, een buitengewone omstandigheid waarop zij geen invloed had. De rechtbank oordeelde dat dit inderdaad een buitengewone omstandigheid betrof die niet voorkomen kon worden, en dat de extra vertraging door verkeerd gelabelde bagage marginaal was. De vordering werd daarom afgewezen en de passagiers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen vanwege buitengewone omstandigheid.