De rechtbank Noord-Holland behandelde een zaak over wijziging van de zorgregeling en kinderbijdrage voor een minderjarige. De moeder verzocht om een weekendregeling in plaats van co-ouderschap en om vaststelling van een kinderbijdrage van €333 per maand. De vader verzocht de zorgregeling ongewijzigd voort te zetten en de bijdrage te verlagen tot nihil vanwege zijn financiële problemen.
De rechtbank stelde vast dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder is en dat de zorgregeling een co-ouderschapsregeling betreft die goed functioneert. De moeder kon niet overtuigend aantonen dat de wijziging in het belang van het kind was. De vader woont op fietsafstand en onderhoudt actief contact met het kind. De rechtbank oordeelde dat de moeder vooral bezwaar had tegen de levenskeuze van de vader na zijn faillissement.
Wat betreft de kinderbijdrage stelde de rechtbank vast dat de vader destijds onvoldoende draagkracht had om €333 te betalen en dat zijn financiële situatie door schulden en gebrek aan inkomsten aanzienlijk is verslechterd. De vader betaalt sinds augustus 2017 €150 en kan op grond van zijn netto besteedbaar inkomen van minder dan €1350 slechts een minimum bijdrage van €25 per maand dragen. De rechtbank wijzigde de bijdrage dienovereenkomstig met ingang van de beschikking en wees het overige verzoek af.