Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een minderjarige is geboren. De vrouw verzocht aanvankelijk een kinderbijdrage van €230 per maand, later verhoogd tot €1.077, terwijl de man dit betwistte en stelde dat de behoefte maximaal €264 bedroeg. De rechtbank baseerde de behoeftebepaling op het Tremarapport en het NIBUD, waarbij het gemiddelde van de behoeften op basis van het inkomen van beide ouders werd genomen.
De rechtbank stelde de behoefte van het kind vast op €341 per maand in 2017. Vervolgens werd de draagkracht van beide ouders berekend met toepassing van de draagkrachtformule uit het Tremarapport. De vrouw had een lagere werkelijke woonlast (€130) dan de forfaitaire woonlast (€760), wat duurzaam van aard was. Daarom werd afgeweken van de forfaitaire woonlast en de werkelijke woonlast van de vrouw in de draagkrachtberekening meegenomen.
De man had een studieschuld waarvoor hij maandelijks €146 aflost, wat als niet vermijdbare last werd meegenomen in de draagkrachtberekening. De gezamenlijke draagkracht van partijen overschreed de behoefte, waardoor een draagkrachtvergelijking werd toegepast. Na zorgkorting werd de kinderbijdrage vastgesteld op €109 per maand, met ingang van 27 augustus 2016. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en jaarlijks indexeerbaar.