ECLI:NL:RBNHO:2018:3576
Rechtbank Noord-Holland
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en gedeeltelijke opheffing conservatoir beslag wegens verdenking ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 23 april 2018 een klaagschrift tegen conservatoir beslag gelegd op bankrekeningen, woning, bedrijf en huurinkomsten van klager. Het beslag was gelegd ter verhaal van een mogelijk te vorderen bedrag van € 5.280.296,87 wegens verdenking van een strafbaar feit onder artikel 363 Sr Pro.
De raadsman van klager voerde aan dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter een ontnemingsmaatregel zou opleggen, omdat er geen sprake was van giften en klager zijn vermogen niet had willen wegsluizen. De officier van justitie verzocht handhaving van het beslag, stellende dat het conservatoir beslag reeds was getoetst en machtiging was verleend door de rechter-commissaris.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is en niet tot een inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak kan leiden. Gezien de verdenking en de machtiging door de rechter-commissaris is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat ontneming zal worden toegewezen, zodat het beslag op de bankrekeningen, woning en bedrijf gehandhaafd blijft.
Wel achtte de rechtbank het gegrond het beslag op de huurinkomsten op te heffen, omdat deze feitelijk de enige inkomstenbron van klager zijn en hij ondanks het beslag verplicht is BTW af te dragen. De inhoudelijke strafzaak staat gepland op 13 september 2018, en het is niet te verwachten dat huurders de huur zullen opzeggen.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift daarom deels gegrond en gelast de opheffing van het beslag op de huurinkomsten, terwijl het klaagschrift voor het overige ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het conservatoir beslag wordt grotendeels gehandhaafd, maar het beslag op de huurinkomsten wordt opgeheven.