Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
,
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Bewijs
“I am gonna kill you”zou hebben gebruikt. Nu hiervoor, afgezien van alleen de verklaring van [aangeefster 3] zelf, geen ander bewijs voorhanden is, dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 april 2018;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte gedaan door
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte gedaan door
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen door [verbalisanten] d.d. 22 december 2017 (dossierpagina’s 21-22);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met betrekking tot de camerabeelden van [verbalisant] d.d. 30 december 2017 (dossierpagina’s 126-162).
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de maatregel
7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
€ 1.750,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast is een bedrag van € 22,17 gevorderd als vergoeding van proceskosten, bestaande in reiskosten naar Slachtofferhulp Nederland voor het opstellen van de vordering.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
ontslaat verdachtedaarvoor
van alle rechtsvervolging.
psychiatrisch ziekenhuiszal worden geplaatst voor de termijn van één (1) jaar.
[aangeefster 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 1.750,- (zegge: zeventienhonderdvijftig euro), bestaande in vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangeefster 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
schadevergoedingsmaatregelten behoeve van slachtoffer [aangeefster 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.750,- (zegge: zeventienhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
27 (zevenentwintig) dagenhechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.
4 mei 2018.