Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procedure
2.Beoordeling
3.Beslissing
- [verzoekster] , geboren op [datum] te [plaats] ;
Rechtbank Noord-Holland
Verzoekster heeft de rechtbank verzocht het vaderschap van de overleden heer vast te stellen op grond van artikel 1:207 BW Pro, aanvankelijk met het verzoek tot DNA-onderzoek via lijkopgraving. De heer was overleden in 1994 en verzoekster kon geen direct bewijs overleggen, maar wel verklaringen en getuigenverklaringen van familieleden.
Tijdens de procedure heeft de rechtbank meerdere zittingen gehouden en aanvullend getuigenverhoor verricht, waaronder van een volle nicht van verzoekster. Uit de verklaringen bleek dat de familie algemeen wist dat de heer de biologische vader was en dat hij alimentatie betaalde tot verzoekster 21 jaar was. Verzoekster had ook contact gehad met de heer voordat hij overleed.
De rechtbank oordeelde dat DNA-onderzoek niet noodzakelijk was omdat de bewijslevering via verklaringen en getuigenverhoor voldoende was. Ook bleek er geen aanwijzing dat een ander als biologische vader in aanmerking kwam. Het verzoek tot vaststelling van het vaderschap werd daarom toegewezen, waarbij de overige verzoeken, waaronder tot lijkopgraving, werden afgewezen. De beschikking werkt terug tot de geboorte van verzoekster.
Uitkomst: Het vaderschap van de overleden heer is vastgesteld zonder DNA-onderzoek, op basis van verklaringen en getuigenverhoor.