Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2018 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiseres
de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
hoger is dan € 710,68 per maand.
Rechtbank Noord-Holland
Eiseres diende een aanvraag huurtoeslag in voor 2017, die door verweerder aanvankelijk op nihil werd vastgesteld. Eiseres stelde dat zij een verworven recht op huurtoeslag had omdat zij in juni 2015 nog huurtoeslag ontving, terwijl vanaf juli 2015 de rekenhuur van haar woning de maximale grens overschreed. Verweerder stelde dat dit recht was doorbroken vanwege een te groot vermogen in 2016 en dat een nieuwe aanvraag moest worden gedaan.
De rechtbank oordeelde dat eiseres voldeed aan de voorwaarden van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de huurtoeslag, omdat zij in de maand voorafgaand aan de overschrijding huurtoeslag ontving en de overschrijding niet het gevolg was van verhuizing. De stelling van verweerder dat het recht op huurtoeslag in december 2016 moest worden beoordeeld en dat een nieuwe aanvraag het verworven recht doorbrak, werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar en bepaalde dat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht vergoed.
De uitspraak benadrukt het belang van de letterlijke tekst van de wet en bevestigt dat het recht op huurtoeslag kan blijven bestaan ondanks overschrijding van de huurgrens, mits aan de voorwaarden van het tweede lid van artikel 13 van Pro de Wht wordt voldaan.
Uitkomst: Het recht op huurtoeslag blijft bestaan ondanks overschrijding van de maximale rekenhuur, en het besluit tot vaststelling op nihil wordt vernietigd.