De rechtbank Noord-Holland behandelde op 7 augustus 2018 de zaak tegen een fysiotherapeut die werd beschuldigd van ontucht met een patiënt over de periode van juni 2011 tot oktober 2016. De tenlastelegging omvatte diverse seksuele handelingen die de fysiotherapeut zou hebben verricht tijdens zijn werkzaamheden.
De officier van justitie vorderde vrijspraak vanwege het ontbreken van voldoende wettig bewijs ter ondersteuning van de aangifte. De verdediging sloot zich hierbij aan en betoogde dat de aangifte niet betrouwbaar was en onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, een veroordeling niet kan worden gebaseerd op de verklaring van slechts één getuige zonder aanvullend wettig bewijs. Omdat de aangifte niet werd ondersteund door andere bewijsmiddelen, werd niet wettig bewezen dat de fysiotherapeut de tenlastegelegde feiten had gepleegd.
Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij en wees de vordering tot schadevergoeding van de aangeefster af wegens het ontbreken van bewezenverklaring. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op de openbare terechtzitting.