De passagiers vorderden compensatie van Easyjet wegens annulering van hun vlucht van Amsterdam naar Rome op 13 september 2015, gebaseerd op Verordening (EG) nr. 261/2004. Easyjet verweerde zich door te stellen dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk slechte weersomstandigheden en overschrijding van de maximale arbeidstijd van de bemanning.
De rechtbank stelde vast dat de slechte weersomstandigheden alleen de inkomende vlucht EZY4922 betroffen, die uitweek naar Napels en later alsnog landde op Fiumicino. De annulering van de opvolgende vluchten EZY4997 en EZY4998 was een gevolg van overschrijding van arbeidstijden en het ontbreken van reservebemanning, een operationele beslissing inherent aan normale bedrijfsvoering.
Daarom faalde het beroep op buitengewone omstandigheden en was Easyjet gehouden tot compensatie van €500, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 september 2015. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Easyjet werd tevens veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd op 29 augustus 2018 gewezen door kantonrechter W. Aardenburg.