ECLI:NL:RBNHO:2018:7410
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kostenaftrek artiest/danser in inkomstenbelasting 2015
Eiser, een artiest en danser, maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2015. Hij stelde dat de door hem opgevoerde kosten als zakelijke kosten aftrekbaar moesten zijn, maar verweerder beperkte de aftrek tot een bedrag van € 2.823 vanwege onvoldoende bewijs van zakelijkheid.
De rechtbank benadrukte dat het op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat de kosten voortvloeien uit en direct verband houden met zijn onderneming. Eiser slaagde hier niet in, mede omdat kosten zoals telefoonkosten, voedingssupplementen, kleding en horecabezoeken onvoldoende als zakelijk konden worden aangemerkt. Ook het beroep op het legaliteitsbeginsel en andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur werd verworpen.
De rechtbank oordeelde dat de verwijzing van verweerder naar jurisprudentie onder de Wet IB 1964 niet onrechtmatig was, omdat de relevante bepalingen ongewijzigd zijn overgenomen in de Wet IB 2001. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beperking van kostenaftrek in de inkomstenbelasting 2015 wordt ongegrond verklaard.