Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
mr. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers
het college van burgemeester en wethouders van Drechterland, verweerder
[derde belanghebbende 1]en
[derde belanghebbende 2], te [woonplaats] ,
Rechtbank Noord-Holland
Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Drechterland een last onder dwangsom opgelegd aan een derde-partij om een paardrijbak binnen zes maanden te verwijderen en verwijderd te houden. Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit en vroegen om een voorlopige voorziening om de handhaving te beperken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat veel van de gevraagde voorzieningen materieel geen verband hielden met het primaire besluit en daarom buiten de procedure vielen. Alleen een verkorting van de begunstigingstermijn vertoonde voldoende samenhang. De rechter achtte zich niet in staat een voorlopig oordeel te geven over de rechtmatigheid van het besluit, mede omdat bezwaar was gemaakt door beide partijen en een aanvraag om legalisatie van de paardrijbak nog in behandeling was.
In de belangenafweging woog de rechter mee dat verzoekers overlast ervaarden, maar dat dit niet doorslaggevend was. Ook speelde mee dat een hoorzitting in bezwaar gepland stond en dat een voorlopige voorziening onomkeerbare financiële schade voor derde-partijen kon veroorzaken. Daarom werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen de uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen handhaving paardrijbak wordt afgewezen.