De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde feit van het voorbereiden van de invoer van ruim 3 kilogram cocaïne. Verdachte hield telefonisch contact met medeverdachten terwijl deze in Aruba verbleven en haalde hen op Schiphol op, in de wetenschap dat zij verdovende middelen bij zich hadden.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Uit onder meer WhatsApp-gesprekken bleek dat verdachte bewust was van de omvang van de invoer en de aard van de middelen. Verdachte heeft gelegenheid en middelen verschaft en een vervoermiddel beschikbaar gesteld voor het plegen van het feit.
De strafmaat werd bepaald met inachtneming van de ernst van het feit, de omvang van de invoer, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar beperkte rol en emotionele afhankelijkheid van haar broer. Verdachte werd veroordeeld tot 150 dagen gevangenisstraf, waarvan 49 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 80 uur. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op en gaf opdracht tot reclasseringstoezicht.