Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 22 oktober 2018 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Amsterdam, verweerder,
de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister,
Procesverloop
Overwegingen
Geschil11.In geschil is of het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (hierna ook: het verdedigingsbeginsel) is geschonden, of de navordering in stand kan blijven nu verweerder niet per container en per aangifte heeft beoordeeld wat het land van oorsprong van de knoflook is en het aandeel knoflook met oorsprong Letland groter is dan waar verweerder thans nog voor navordert alsmede tot welk bedrag eiser recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank merkt op dat er ondanks de gegrondverklaring van het bezwaar door verweerder geen beslissing is genomen op het in het bezwaarschrift gedane verzoek om vergoeding van proceskosten. De rechtbank zal daarom voor bezwaar en beroep een proceskostenvergoeding toekennen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.250 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1 te vermenigvuldigen met factor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken). De rechtbank merkt de onderhavige zaak en de zaken met de nummers HAA 15/3998 en HAA 15/4066 tot en met HAA 15/4070 aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit en zal daarom bepalen dat in elke zaak 1/7 deel van dit bedrag wordt vergoed, hetgeen om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid wordt afgerond op € 321,42. In verband met het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en die overschrijding zowel aan verweerder als aan de Minister is toe te rekenen, zal de rechtbank ieder van hen veroordelen tot het vergoeden van de helft van de proceskostenvergoeding en van het griffierecht (zie r.o. 3.14.2 van het hiervoor onder 2 genoemde arrest).
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een bedrag van € 1.614 aan vergoeding van immateriële schade, de helft van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 160,71 en de helft van het door eiser betaalde griffierecht tot een bedrag van € 83,50;
- veroordeelt de Minister tot betaling aan eiser van een bedrag van € 302,66 aan vergoeding van immateriële schade, de helft van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 160,71 en de helft van het door eiser betaalde griffierecht tot een bedrag van € 83,50.