Eiser betwistte de door de douane opgelegde uitnodiging tot betaling (utb) van €880,- wegens de indeling van geïmporteerde rijst onder GN-code 1006 30 98, een tariefcode met een hoger tarief dan de door eiser opgegeven code 1006 40 00 voor breukrijst. De douane had een monster genomen van 2x 1.000 gram rijst en dit onderzocht in het laboratorium, waaruit bleek dat de rijst langkorrelig en volwit was, passend bij GN-code 1006 30 98.
Eiser voerde aan dat het monster niet representatief was, dat het laboratorium niet geaccrediteerd was voor microscopisch onderzoek om breukrijst vast te stellen en dat de factuur en verpakking anders aangaven. Verweerder stelde dat het monster representatief was, dat de accreditaties toereikend waren en dat de classificatie op basis van objectieve kenmerken moest plaatsvinden volgens de geldende EU-verordeningen.
De rechtbank oordeelde dat het monster representatief was, mede omdat eiser geen aanvullend onderzoek had aangevraagd en de douane richtlijnen had gevolgd. De accreditaties van het Douane Laboratorium en RIKILT waren niet betwist. De omschrijving op de factuur en verpakking was niet bepalend voor de indeling. De rechtbank bevestigde dat de rijst terecht was ingedeeld onder GN-code 1006 30 98 en verklaarde het beroep ongegrond.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige douanekamer van de Rechtbank Noord-Holland op 22 oktober 2018, waarbij geen proceskosten werden toegewezen. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.