Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2019:10022

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 december 2019
Publicatiedatum
5 december 2019
Zaaknummer
C/15/295846 / HA RK 19/219
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens vermeende partijdigheid in bekeuringenzaak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die zaken behandelde over bekeuringen met betrekking tot een koppeling en kentekenplaat. Verzoeker stelde dat de rechter niet naar zijn inhoudelijke verhaal wilde luisteren, maar zich richtte op procedurele aspecten zoals tijdigheid van beroepen.

De rechter gaf aan gebonden te zijn aan wettelijke regels die eerst de tijdigheid van de beroepen moeten toetsen alvorens inhoudelijk op de bekeuringen in te gaan. Tijdens de zitting lichtte verzoeker zijn standpunt toe en de rechter reageerde hierop.

De wrakingskamer overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij zwaarwegende aanwijzingen van vooringenomenheid, en dat een wrakingsverzoek geen verkapt hoger beroep mag zijn. Het feit dat verzoeker het niet eens is met de procedurele aanpak van de rechter vormt geen grond voor wraking.

Omdat de rechter al was begonnen met de uitspraak in de eerste zaak, kon daar geen wraking meer plaatsvinden. Voor de tweede zaak werd toch inhoudelijk beoordeeld of wraking gegrond was, maar ook daar werd het verzoek afgewezen.

De rechtbank besloot het wrakingsverzoek af te wijzen en het proces in de hoofdzaak voort te zetten in de stand van het moment van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor onpartijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/295846 / HA RK 19/219
Beslissing van 3 december 2019
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. S. Slijkhuis,
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft op 8 november 2019 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Bewind, locatie Alkmaar aanhangige zaken met als zaaknummers 8004401 / WM VERZ 19-758 en 8004406 / WM VERZ 19-759, hierna tezamen te noemen: de hoofdzaak.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.3.
Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 3 december 2019. Verzoeker en de rechter in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Beiden zijn verschenen.
1.4.
Verzoeker heeft zijn verzoek ter zitting toegelicht. De rechter heeft ter zitting gereageerd.
1.5.
De wrakingskamer heeft, na een korte schorsing voor beraad, ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

2.Het standpunt van verzoeker

2.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Hij wraakt de rechter omdat zij niet naar hem luistert. Verzoeker wil het over de inhoudelijke kant van zijn verhaal hebben, namelijk over het aanbrengen van de koppeling en over de kentekenplaat waarvoor hij bekeurd is, maar de rechter niet. Zij heeft het over zaaknummers op en data van brieven.

3.De reactie van de rechter

3.1.
De rechter heeft – kort samengevat – als volgt gereageerd. Zij is op grond van de wet gehouden om eerst de tijdigheid van de door verzoeker in de hoofdzaak ingediende beroepen tegen de bekeuringen te bespreken en te beoordelen. In dat kader moeten de verschillende brieven en verzendbewijzen die zich in de dossiers bevinden worden besproken en beoordeeld. Pas als blijkt dat de beroepen tijdig zijn ingediend, kan zij overgaan tot de inhoudelijke bespreking en beoordeling van de bekeuringen. De zitting bevond zich nog in het eerste stadium, dat wil zeggen de bespreking van de tijdigheid van het beroep (daarbij was ze bezig mondeling uitspraak te doen in de eerste zaak). De rechter zegt deze op grond van de wet verplichte volgorde meerdere keren aan verzoeker te hebben voorgehouden.

4.De beoordeling

4.1.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid. Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.
4.2.
De wrakingskamer stelt verder voorop dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt hoger beroep. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Wat betreft de motivering van de (tussen)beslissing geldt ook dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (ECLI: NL:HR:2018:1413).
4.3.
De wrakingskamer overweegt als volgt. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op twee zaken. De eerste zaak is de zaak van de hulpkoppeling, met CJIB nummer [nummer]. De tweede zaak is de zaak met CJIB nummer 220826248. In de eerste zaak was de rechter al bezig met de mondelinge uitspraak toen verzoeker het wrakingsverzoek indiende. Dat kan op dat moment niet meer. Zodra een rechter is begonnen met de uitspraak kan in die zaak niet meer worden gewraakt.
4.4.
Omdat de wraking ook betrekking heeft op de tweede zaak, die ten tijde van de wraking nog niet was behandeld, en vanwege de samenhang tussen de eerste en de tweede zaak, zal de rechtbank desondanks overgaan tot inhoudelijke beoordeling van de vraag of het wrakingsverzoek moet worden toegewezen.
4.5.
De wrakingskamer neemt daarbij het volgende in aanmerking. Het verwijt van verzoeker strekt ertoe dat hij het niet eens is met de beslissing van de rechter dat zijn beroep in de eerste zaak te laat is en dat er daardoor niet naar de inhoudelijke kant van de bekeuringen wordt gekeken.
4.6.
Dit verwijt is echter geen grond voor wraking (zie hiervoor onder 4.2.). Voor dit verwijt staat, desgewenst, de mogelijkheid van hoger beroep in de eerste zaak open. Kortom, de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht leveren geen grond op voor het oordeel dat de vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is en vormen dus geen grond voor wraking.
4.7.
De rechtbank zal het verzoek tot wraking daarom afwijzen.

5.Beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.
5.2.
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
5.3.
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team Handel, Kanton & Bewind, locatie Alkmaar.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. J.H. Gisolf en mr. M.A. Berkers, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2019.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.