ECLI:NL:RBNHO:2019:10299

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 oktober 2019
Publicatiedatum
16 december 2019
Zaaknummer
C/15/293762 / JU RK 19-1773
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing pleegkinderen wegens ernstige jeugdtrauma’s

De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen die sinds januari 2019 in een pleeggezin verblijven. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt om verlenging omdat de kinderen ernstige jeugdtrauma’s hebben, waaronder dissociatie bij een van hen, en de moeder momenteel niet in staat is de benodigde veiligheid en structuur te bieden.

De moeder stemt in met de verlenging en werkt aan het vinden van een geschikte woning om uiteindelijk weer voor haar kinderen te kunnen zorgen. De pleegouders bevestigen dat de kinderen veel hebben meegemaakt en dat traumabehandeling is gestart. De kinderrechter oordeelt dat de kinderen in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd door de omstandigheden thuis en dat het belang van de kinderen vraagt om voortzetting van de pleegzorg.

Op grond van artikel 1:255 en Pro 1:265c BW wordt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd voor een jaar. De rechter benadrukt dat de moeder zal moeten nadenken over haar rol en dat het pleeggezin momenteel de beste zorg biedt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen voor één jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
zittingsplaats Haarlem
zaakgegevens : C/15/293762 / JU RK 19-1773
datum uitspraak: 15 oktober 2019

Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Haarlem,
betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. E.V.S. van Baarle, kantoorhoudende te Zeewolde.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoek, met bijlagen, van de GI van 5 september 2019, ingekomen bij de griffie op
10 september 2019.
Op 15 oktober 2019 is de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Hierbij zijn verschenen en gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. E.V.S. van Baarle;
- pleegouders, [pleegouders] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger GI] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
Bij beschikking van 25 november 2015 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling thans nog voortduurt tot 25 oktober 2019.
Bij beschikking van 27 september 2018 is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, welke uithuisplaatsing thans nog voortduurt tot 25 oktober 2019.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.
Tevens wordt verzocht hun uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezicht-stelling.
De GI voert hiertoe aan dat de kinderen sinds januari 2019 in een pleeggezin verblijven.
In het begin hebben zij - en de pleegouders - een heel stressvolle en onrustige periode doorgemaakt. In de vierde week van de plaatsing had [minderjarige 2] last van dissociatie. Hij werd met spoed opgenomen bij de Bascule, daarna is de zorg overgedragen aan de acute zorg van het KJTC. De intake bij het KJTC heeft in maart 2019 plaatsgevonden en zij hebben geadviseerd dat [minderjarige 2] psycho-educatie nodig heeft over dissociatie en hoe daarmee om te gaan, dat er ouderbegeleiding komt voor de pleegouders en dat die de training “Zorgen voor getraumatiseerde kinderen” kunnen volgen. Voorts wil de GI starten met Video Interactie Begeleiding, die gericht is op gehechtheid (vanuit pleegzorg).
De GI wil over zes maanden dit behandeladvies voor evalueren en bepalen of traumabehan-deling voor [minderjarige 2] geïndiceerd is.
De GI verzoekt verlenging van de uithuisplaatsing, omdat er nog veel tijd nodig is om de kinderen te laten herstellen van vroege jeugdtrauma’s. Ook de moeder zal een lange weg moeten gaan, met helder omschreven doelen en begeleiding, om uitzicht te kunnen krijgen op de mogelijkheid tot terugplaatsing. Zij is op dit moment nog niet in staat de veiligheid, regelmaat en structuur te bieden die de kinderen krijgen bij de pleegouders.
De zorg voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vraagt om aandacht, zelfregulatie, het overzien van de zorgtaken, het om kunnen gaan met moeilijk opstandig gedrag van de kinderen (vooral van [minderjarige 2] ) en met onverwachte gebeurtenissen, en om goede planning. Thuisplaatsing is daarom nu niet aan de orde. De GI wil in de komende periode de haalbaarheid daarvan gaan onderzoeken, want het is in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid komt over hun opvoedperspectief.

Het standpunt van de moeder

De raadsvrouw voert aan dat de moeder instemt met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
De moeder heeft op dit moment geen geschikte woning om de kinderen op te vangen, maar wel de wens dat zij uiteindelijk zelf weer voor hen kan zorgen. Momenteel verblijft zij in een daklozencentrum en is maatschappelijk werk bezig om binnen de regio een woning te realiseren. De moeder wil het beste voor haar kinderen en graag meer omgang met hen.
Ze is blij dat de kinderen het goed doen bij de pleegouders, dat ze daar vriendjes hebben en weer buiten kunnen spelen. Zij is bereid mee te werken aan een PO.
De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij, voor nu, niet anders kan dan instemmen met het verzoek van de GI.
Zij is bezig met het vinden van een geschikte woning, zodat de omgang met haar kinderen kan worden uitgebreid en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uiteindelijk weer bij haar kunnen wonen
.
De pleegouders hebben ter zitting aangegeven dat steeds meer duidelijk wordt dat de kinderen heel veel hebben meegemaakt. De kinderen hebben moeite om de trauma’s een plek te geven. De pleegouders proberen daar goed op in te spelen en hen zo goed als het kan te helpen. In september is voor de kinderen de traumatraining begonnen, zij (de pleegouders) krijgen video training.
De kinderen kunnen bij hen blijven als blijkt dat het perspectief niet bij de moeder zal zijn.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd. De concrete bedreiging bestaat eruit dat de kinderen in de afgelopen jaren veel ruzies en onrust hebben meegemaakt. Zij hebben te weinig en in sommige periodes in het geheel geen emotionele aandacht gekregen. Dit belemmerende de ontwikkeling van hun emotieregulatie en van een gezonde en veilige hechting, en is naar alle waarschijnlijkheid de oorzaak van de bij [minderjarige 2] opgetreden dissociatie.
De zorg van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vraagt heel veel van hun opvoeder(s) en de moeder is momenteel niet in staat daarin te voorzien.
Het is daarom in het belang van de kinderen dat de huidige plek - waar zij die zorg krijgen - geborgd blijft.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal dan ook worden verlengd voor de duur van één jaar. Ook is verlenging van hun uithuisplaatsing voor dezelfde periode noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
Ter zitting is aan de moeder gevraagd of zij er in ieder geval over wil nadenken of ze haar zonen (ook emotionele) toestemming zou kunnen geven om in het pleeggezin op te groeien.
Het komt - gelukkig - niet vaak voor dat een kind wordt gediagnostiseerd met dissociatie. Dat deze ernstige psychiatrische aandoening wel is vastgesteld bij [minderjarige 2] , geeft aan dat deze kinderen (te) veel hebben meegemaakt, veel zijn tekortgekomen en dat zij buitengewone zorg nodig hebben. Ook indien de moeder, op termijn, in staat zou zijn hen gewone zorg te bieden, is het de vraag of de kinderen niet beter af zijn in het huidige pleeggezin, met twee opvoeders – de moeder staat er alleen voor - met wie zij tegen die tijd (hopelijk) een gehechtheidsrelatie hebben opgebouwd.
Dit is aan de orde gesteld omdat de moeder heeft aangegeven het beste te willen voor haar kinderen, de GI stelt dat die nu ‘op hun plek zitten’ en omdat de pleegouders met genegenheid spreken over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ; ze geven aan in hun ontwikkeling te willen investeren.
In dat kader is de moeder gevraagd na te denken over een andere invulling van haar moederschap, een waarbij een òf - òf situatie zou worden vermeden en de kinderen de achterstand die zij hebben ten opzichte van leeftijdgenoten, kunnen verkleinen (en hopelijk inlopen) door alles wat de pleegouders hen te bieden hebben.

De beslissing

De kinderrechter:

Verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en

[minderjarige 2]met ingang van 25 oktober 2019 tot
25 oktober 2020;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige 1]en van
[minderjarige 2]in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 25 oktober 2019 tot 25 oktober 2020;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Diender, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
S. Weijens-Dekker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld en ondertekend op
31 oktober 2019.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam