Eiseres kreeg op 8 november 2018 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zij op een parkeerplaats stond zonder zichtbare vergunning of dagkaart. Eiseres stelde dat zij slechts kort van de auto was weggeweest om de bezoekersparkeervergunning terug te brengen naar haar vriendin en dat de naheffingsaanslag daarom onterecht was.
Verweerder voerde aan dat de naheffingsaanslag terecht was omdat de parkeercontroleur de aanslag om 15:41 uur uitschreef en de laatste foto om 15:45 uur was gemaakt, waardoor eiseres de controleur had moeten tegenkomen als zij slechts 2-3 minuten weg was geweest. Verweerder kon echter niet aantonen dat eiseres een redelijke tijd was gegund om de vergunning terug te brengen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet voldeed aan zijn bewijslast omdat geen stukken waren overgelegd waaruit bleek dat eiseres een redelijke tijd was gegund om de afstand tussen parkeerplaats en de plaats waar de vergunning kon worden opgehaald te overbruggen. Het bewijsaanbod van verweerder om andere naheffingsaanslagen te overleggen werd afgewezen omdat dit niet relevant was voor de individuele situatie van eiseres.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en de naheffingsaanslag en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiseres.