Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2019:1056

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 januari 2019
Publicatiedatum
11 februari 2019
Zaaknummer
C/15/276839 FT RK 18/981
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EG) 2015/848Art. 288 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw zijn

Schuldenaren hebben bij de rechtbank Noord-Holland een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 288 Faillissementswet Pro, waarin is bepaald dat schuldenaren te goeder trouw moeten zijn geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

Uit het door schuldbemiddelingsinstantie Zuidweg & Partners overgelegde overzicht van de Belastingdienst bleek een openstaande schuld van €62.977 aan loonheffingen over 2016. Deze schuld is ontstaan doordat schuldenaar geld heeft onttrokken uit een stamrecht B.V. om de winkel die hij met zijn vrouw runde financieel te ondersteunen. Schuldenaar had dit geld als lening bedoeld om later terug te storten.

De rechtbank oordeelde dat schuldenaren, gelet op de fiscale regels rond stamrecht B.V.'s, behoorden te weten dat het geld gereserveerd moest blijven voor periodieke uitkeringen. Door het geld anders te gebruiken, is een forse belastingaanslag opgelegd en onbetaald gebleven. Dit maakt dat schuldenaren niet te goeder trouw zijn geweest. Daarom voldoet het verzoek niet aan de wettelijke vereisten en wijst de rechtbank het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van te goeder trouw zijn bij het ontstaan van de schulden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND afwijzing schuldsaneringsregeling

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer: C/15/276839 FT RK 18/981
vonnis van 29 januari 2019
op het verzoek van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , en
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
schuldenaren.

1.De procedure

1.1
Op 19 juli 2018 is ter griffie van deze rechtbank binnengekomen het verzoekschrift met bijlagen van schuldenaren strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2
Ter zitting van 17 januari 2019 zijn schuldenaren, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] , beiden werkzaam ten kantore van Zuidweg & Partners, schuldbemiddelingsinstantie, hierover gehoord. Het proces-verbaal dient als hier ingelast te worden beschouwd.

2.De beoordeling

2.1
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening (EG) 2015/848 betreffende insolventieprocedures van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van schuldenaren in Nederland ligt.
2.2
Bij een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient de rechtbank op grond van artikel 288 Faillissementswet Pro (Fw) te beoordelen of een schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten.
2.3
Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsanering alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.4
Uit een door de rechtbank opgevraagd en door Zuidweg & Partners overgelegd overzicht van de belastingdienst blijkt, dat aldaar onder meer een schuld openstaat van € 62.977,00 aan opgelegde loonheffingen over het jaar 2016. Uit nadere stukken alsmede uit hetgeen ter zitting is besproken is gebleken, dat deze aanslag ziet op een geldbedrag dat door schuldenaar uit een stamrecht B.V. (genaamd Rogla B.V.) is onttrokken, om de winkel die hij met zijn vrouw dreef een financiële injectie te kunnen geven. Hiermee hoopte hij te kunnen voorkomen dat de winkel moest worden gesloten vanwege tegenvallende resultaten. Hij bedacht zich dit geld te lenen uit de stamrecht B.V., om het op een later moment er weer in terug te brengen.
2.5
Een stamrecht B.V.-constructie is een faciliteit, waardoor de Belastingdienst niet direct loonheffing toepast op uitgekeerd loon. In dit geval bevatte de stamrecht B.V. een ontslagvergoeding van schuldenaar. Schuldenaren wisten, althans behoorden te weten dat, om van de daarmee gepaard gaande fiscale voordelen gebruik te kunnen maken, het geld gereserveerd diende te blijven voor periodieke uitkeringen, zoals pensioen-uitkering. Door het geld op een andere manier aan te wenden, is alsnog een forse belastingaanslag opgelegd en onbetaald gebleven, welke vordering naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw is.
2.6
Gezien hetgeen is opgenomen onder punt 2.3 hebben schuldenaren niet voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 29 januari 2019. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.