Eiser was vanaf 1978 werkzaam bij een werkgever en kreeg vanaf 3 december 2014 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 35,02%. Vanaf 1 augustus 2017 ontving hij een WW-uitkering, waarbij de WIA-inkomsten werden verrekend. Vanaf 1 maart 2018 ontving eiser een prepensioenuitkering die verband hield met zijn arbeidsongeschiktheid.
Verweerder stelde vast dat eiser te veel WW had ontvangen over maart tot en met december 2018 en vorderde €13.950,01 terug. Eiser betwistte de verrekening van het prepensioen met de WW, stellende dat het prepensioen voortkomt uit een ander dienstverband dan de WW-uitkering en dat herziening met terugwerkende kracht niet mogelijk is.
De rechtbank oordeelde dat het prepensioen terecht als inkomen is meegeteld bij de WW en dat de stelling van twee losstaande dienstverbanden onvoldoende is onderbouwd. Ook de verwijzing naar uitzonderingen in de wet en brieven van de minister bood geen steun. De rechtbank stelde het terug te vorderen bedrag vast op €12.235,58 en vernietigde het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, terwijl een schadevergoeding werd afgewezen.