De passagiers vorderden compensatie van TUI Airlines Nederland B.V. wegens een vertraging van meer dan drie uur op vlucht OR534 van Fuerteventura naar Amsterdam-Schiphol op 25 februari 2018. Zij baseerden hun vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004, die compensatie voorschrijft bij langdurige vertraging.
TUI betwistte de vordering en voerde aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk slechte weersomstandigheden in combinatie met een besluit van de luchtverkeersleiding, waardoor het toestel moest uitwijken en de vlucht vertraagd werd. TUI stelde tevens dat zij alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te beperken, onder meer door het inhuren van een vervangend toestel en bemanning.
De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de vertraging inderdaad meer dan drie uur bedroeg, waardoor compensatie in beginsel aan de orde was. Echter, TUI had voldoende bewijs geleverd van de buitengewone omstandigheden en de getroffen maatregelen. De passagiers konden niet aantonen dat de omstandigheden niet buitengewoon waren of dat TUI nalatig was geweest.
De vordering tot vergoeding van additionele kosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden aan de passagiers opgelegd. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.