De passagiers vorderden compensatie van Finnair wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op vlucht AY121 van Helsinki naar Delhi op 29 december 2017, gebaseerd op Verordening (EG) nr. 261/2004. Finnair betaalde uiteindelijk € 3.000,00 aan de gemachtigde van de passagiers, maar de passagiers vorderden daarnaast wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.
Finnair betwistte de nevenvorderingen en stelde dat de compensatieclaims niet correct waren ingediend omdat de passagiers niet hadden voldaan aan verzoeken om bewijzen van volmachten en een zaakkenmerk te verstrekken. De kantonrechter oordeelde dat de compensatieplicht van Finnair vaststaat, maar dat de nevenvorderingen worden afgewezen omdat de claims Finnair niet hadden bereikt. De passagiers mochten er niet van uitgaan dat hun claims correct waren ingediend.
De proceskosten werden aan de passagiers opgelegd omdat zij in het ongelijk werden gesteld. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter S.N. Schipper op 24 december 2019 te Haarlem.