Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[naam 1]en
[naam 2], te [woonplaats]
Rechtbank Noord-Holland
Bij besluit van 6 december 2018 verleende het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland een omgevingsvergunning aan eiser voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het aanpassen van een bestaande paardrijbak op zijn perceel. Derde-partij maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Noord-Holland.
Eiser stelde dat het gebruik van de paardrijbak onder het overgangsrecht viel en daarom geen vergunning nodig was voor afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het gebruik reeds bestond op de peildatum en onafgebroken was voortgezet. Daarnaast was het voorschrift in de vergunning dat derden geen gebruik mochten maken van de paardrijbak te beperkend en onduidelijk, hetgeen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Verder stelde eiser dat het opgelegde beplantingsplan onnodig was omdat de paardrijbak niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. De rechtbank oordeelde dat dit bezwaar niet ontvankelijk was omdat het niet tegen het primaire besluit was ingebracht. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder dient een nieuw besluit te nemen.