Airhelp vorderde namens een passagier compensatie van Delta Air Lines wegens een vertraging van meer dan drie uur op een vlucht van Amsterdam naar Atlanta, onderdeel van een langere reis van Kuala Lumpur naar Tampa. Airhelp baseerde de vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004, die compensatie regelt bij vluchtvertragingen.
Delta betwistte de vordering primair op grond van twijfel over de overdracht van het vorderingsrecht en subsidiair dat de vlucht niet onder de Verordening valt. De rechtbank stelde vast dat zij bevoegd was de zaak te behandelen en dat Airhelp geen bewijs leverde van de handtekening van de passagier op het overdrachtsformulier.
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie bleek dat de Verordening alleen van toepassing is op vluchten die vertrekken binnen de EU of vanuit derde landen naar de EU uitgevoerd door een EU-luchtvaartmaatschappij. Omdat de vlucht startte in Maleisië en eindigde in de Verenigde Staten, met een tussenstop in Amsterdam, viel deze niet onder de Verordening.
De rechtbank wees de vordering van Airhelp af en veroordeelde Airhelp tot betaling van de proceskosten en nakosten van Delta. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.