Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2019 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
vóórdateiseres bezwaar maakte. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de informatie redelijkerwijs noodzakelijk is voor de beoordeling van het bezwaar. Voor het geval de rechtbank artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Awb wel van toepassing acht was verder uitstel begin februari 2019 niet meer redelijk omdat verweerder reeds op 26 juli 2018 een verzoek om gegevensuitwisseling had kunnen doen en de autoriteiten in [land 1] daarop binnen zes maanden hadden moeten beslissen. De uitspraaktermijn is in ieder geval geëindigd op 7 april 2019, aangezien op dat moment de uitspraaktermijn die nog resteerde na beëindiging van de opschorting daarvan met de ontvangst van de gevraagde informatie op 29 maart 2019, is verstreken.
“Met betrekking tot de informatie die niet in het bezit is van de Nederlandse entiteiten, verwijzen wij naar artikel 47a, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
junctoartikel 26 van Pro het verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van [land 1] en [land 2] tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen en ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten.
Hopelijk begrijpt u dat, gezien de afloop van de discussie om een compromis te bereiken en de als gevolg daarvan lopende procedures over de fiscale jaren 2003 tot en met 2013 en de opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2014, er bij ons op dit moment geen behoefte is om te voldoen aan informatieverzoeken als daartoe geen wettelijke verplichting bestaat.”
De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar betoog dat verweerder geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheden van artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Awb omdat hij deze informatie ook al wenste vóórdat eiseres bezwaar maakte. Verweerder kon aldus de termijn voor het geven van een uitspraak op bezwaar – bij brief van 31 oktober 2018 – in beginsel opschorten tot aan het moment dat zij de gevraagde informatie verstrekt kreeg van de moedervennootschap via de belastingautoriteiten in [land 1] . De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat verder uitstel van de uitspraaktermijn begin februari 2019 al niet meer redelijk was. Op dat moment waren de gestelde vragen immers nog niet beantwoord, en er zijn geen aanwijzingen dat verweerder het verzoek bij de belastingautoriteiten in [land 1] onredelijk laat heeft ingediend of dat de beantwoording van de vragen op dat moment reeds onredelijk veel tijd in beslag had genomen.