ECLI:NL:RBNHO:2019:1548
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Borgstelling als aandeelhouder niet als kosten bij resultaat ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen
Eiser, aandeelhouder met een middellijk aanmerkelijk belang in [D] B.V., stelde zich borg voor een lening van €500.000 aan [D]. Na faillissement van [D] werd eiser aangesproken voor €50.000 borgstelling. Eiser wilde dit bedrag als kosten aftrekken bij zijn inkomstenbelasting 2014.
De rechtbank beoordeelde of de borgstelling was aangegaan als aandeelhouder of als privé persoon. Gezien de slechte financiële situatie van [D] bij borgstelling en het ontbreken van vergoeding of zekerheden, achtte de rechtbank aannemelijk dat eiser als aandeelhouder handelde. Een onafhankelijke derde zou onder dezelfde omstandigheden geen borgstelling zonder vergoeding zijn aangegaan.
Daarom kan het verlies uit hoofde van de borgstelling niet als kosten in aanmerking worden genomen bij het resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2014 wordt gehandhaafd.