AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid verzoeker na onvoorwaardelijk sepot in fraude geboorteakte zaak
Op 11 december 2018 diende verzoeker een verzoekschrift in bij de rechtbank Noord-Holland om de strafzaak betreffende verdenking fraude geboorteakte op 30 mei 2016 te beëindigen. De zaak werd behandeld op 4 februari 2019. De officier van justitie had inmiddels op 7 januari 2019 schriftelijk meegedeeld dat er geen vervolging meer zou plaatsvinden wegens onvoldoende bewijs.
Verzoeker stelde dat het verzoek gehandhaafd moest blijven omdat een sepotbeslissing van de officier van justitie niet dezelfde waarborgen biedt als een rechterlijke beslissing. De officier van justitie stelde dat het verzoeker aan belang ontbrak omdat de zaak definitief was geëindigd door het onvoorwaardelijk sepot.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker geen belang meer had bij behandeling van het verzoek omdat de vervolging was geëindigd. Alleen nieuwe feiten kunnen aanleiding zijn om alsnog te vervolgen. Er was ook geen reden te verwachten dat een vervolging alsnog zou plaatsvinden via een artikel 12 SvPro-procedure. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek ex artikel 36 Sv na onvoorwaardelijk sepot.
Op 11 december 2018 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat, ingediend verzoekschrift, gedateerd 12 november 2018, van
[verzoeker], verzoeker,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
,
domicilie kiezende aan de Linnaeusstraat 2 – A te (1092 CK) Amsterdam, ten kantore van mr. M.F. Wijngaarden, voornoemd.
Het verzoekschrift strekt ertoe, dat de rechtbank de jegens verzoeker bestaande strafzaak betreffende verdenking fraude geboorteakte op 30 mei 2016 geëindigd zal verklaren.
Op 4 februari 2019 is dit verzoekschrift in raadkamer behandeld.
Voor verzoeker is verschenen mr M.F. Wijngaarden, voornoemd.
Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. D. Sarian.
2.Beoordeling
Verzoeker is op 26 april 2018 door de politie gehoord.
Op 7 januari 2019 heeft de officier van justitie verzoeker schriftelijk laten weten dat verzoeker in deze zaak niet verder zal worden vervolgd wegens onvoldoende bewijs.
Namens verzoekeris - zakelijk weergegeven – aangevoerd, dat de officier van justitie ten tijde van het indienen van het verzoekschrift nog geen sepotbeslissing had genomen. Inmiddels is dat wel gebeurd. Nu de sepotbeslissing van de officier van justitie niet dezelfde waarborgen voor het einde van de zaak geeft als een beslissing van de rechtbank, wordt het verzoek gehandhaafd, aldus de raadsman.
De officier van justitieheeft geconcludeerd dat verzoeker niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Een sepotbeslissing van de officier van justitie betekent einde zaak. Alleen nieuwe feiten kunnen aanleiding zijn om te gaan dagvaarden.
De rechtbankoordeelt als volgt.
Vastgesteld moet worden dat bij verzoeker geen onzekerheid meer kan bestaan over de eerder tegen hem aangevangen vervolging. Deze is door het onvoorwaardelijk sepot geëindigd.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeker geen belang meer heeft bij een behandeling van zijn verzoekschrift als bedoeld in artikel 36 SvPro en zal verzoeker daarom niet-ontvankelijk verklaren. Zoals de officier van justitie terecht aanvoert, kunnen nieuwe feiten aanleiding vormen om alsnog te vervolgen. Dat geldt echter evenzeer, indien de zaak volgens artikel 36 SvPro als geëindigd is verklaard.
Onder bepaalde omstandigheden kan er nog een verwachting zijn dat een verdachte toch nog zal worden vervolgd, na een artikel 12 SvPro-procedure. In de onderhavige zaak bestaat daartoe geen aanleiding.
4.Beslissing
De rechtbank:
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
5.Samenstelling raadkamer en dagtekening
Deze beschikking is gegeven op 18 februari 2019 door
mr. L.J. Saarloos, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.M.A. van der Meij, griffier.