De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging en medeplegen van poging tot afpersing, omdat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat hij hierbij betrokken was. De rechtbank oordeelde dat verdachte niet aanwezig was bij het gesprek en de bedreigingen in de garage van het slachtoffer, en dat hij niet als medepleger kon worden aangemerkt. Ook kon niet worden vastgesteld dat anderen dan verdachte een wezenlijke bijdrage aan het geweld tegen het slachtoffer hadden geleverd, waardoor vrijspraak volgde voor openlijke geweldpleging.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer op 13 februari 2018 zonder enige aanleiding een forse vuistslag in het gezicht heeft gegeven, waarmee hij zich schuldig maakte aan mishandeling. De rechtbank achtte de herkenningen van verdachte op camerabeelden door verbalisanten voldoende betrouwbaar en vond het bewezen dat verdachte het slachtoffer tegen het hoofd had geslagen.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 11 dagen, rekening houdend met de tijd in voorlopige hechtenis, en tot een taakstraf van 40 uur. De ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het geweld plaatsvond, en het eerdere geweldsdelict van verdachte werden meegewogen. Het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.