ECLI:NL:RBNHO:2019:2570
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verhoging kinderbijdrage wegens onvoldoende draagkracht man
De vrouw verzocht de rechtbank om de kinderbijdrage die de man aan haar betaalt te verhogen van € 53,44 naar € 185,00 per maand, met ingang van 1 mei 2018. De rechtbank beoordeelde of er sprake was van een wijziging van omstandigheden die een herziening van de kinderbijdrage rechtvaardigde. De vrouw stelde dat het inkomen van de man substantieel was gestegen, terwijl de man betoogde dat zijn draagkracht lager was omdat hij ook kinderbijdrage betaalt voor een ander kind.
De rechtbank stelde vast dat de behoefte van het kind opnieuw moest worden berekend omdat in de eerdere beschikking geen inhoudelijke berekening was gemaakt. De behoefte werd vastgesteld op € 188,00 per maand in 2018. De draagkracht van de vrouw werd vastgesteld op € 36,50 per maand voor het kind, en de draagkracht van de man werd berekend aan de hand van het Tremarapport, rekening houdend met zijn winst uit onderneming, zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling, en FOR-dotatie.
De rechtbank concludeerde dat de draagkracht van de man € 36,00 per maand bedroeg na aftrek van de bijdrage voor zijn andere kind. Omdat partijen samen onvoldoende draagkracht hadden om in de behoefte van het kind te voorzien, werd het verzoek tot verhoging van de kinderbijdrage afgewezen. De rechtbank verlaagde de bijdrage niet omdat de man dit niet had verzocht en hij in staat werd geacht de huidige bijdrage te blijven betalen.
Uitkomst: Het verzoek tot verhoging van de kinderbijdrage wordt afgewezen vanwege onvoldoende draagkracht van de man.