Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND toepassing schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk
1.[schuldenaar1],
2. [schuldenaar2]
Rechtbank Noord-Holland
Schuldenaren hebben op 27 februari 2019 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting van 10 mei 2019 werden zij bijgestaan door hun beschermingsbewindvoerder en schuldhulpverlener. De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzoek aan de hand van artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet, dat vereist dat in het verzoekschrift een verklaring wordt opgenomen dat het minnelijk traject is doorlopen of dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
Uit een verklaring van de schuldhulpverlener bleek dat het minnelijk traject niet was doorlopen omdat de gemeente niet bereid of in staat was dit traject te voeren vanwege onduidelijkheid over het schuldenpakket na een eerder faillissement. Schuldenaren stelden geen alternatieven te hebben om het minnelijk traject te doorlopen en voerden aan dat dit als een mislukt minnelijk traject moet worden beschouwd.
De rechtbank oordeelde echter dat het ontbreken van de vereiste verklaring leidt tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek. Hoewel schuldenaren mogelijk nadeel ondervinden door het falen van gemeentelijke instanties, is het niet aan de rechtbank om dit tekort te repareren, mede omdat dit in strijd zou zijn met de wet en de bedoeling van de wetgever. De rechtbank verklaarde het verzoek van schuldenaren daarom niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Verzoek schuldenaren tot toepassing schuldsaneringsregeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van het minnelijk traject.