Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2019 in de zaken tussen
[X] V.O.F. gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.
Procesverloop
- HAA 17/4299: over het tijdvak 1 december 2013 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag omzetbelasting voor een bedrag van € 2.858 met een boete van € 285 en een beschikking belastingrente opgelegd voor een bedrag van € 338.
- HAA 17/4230: over het tijdvak 1 december 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting voor een bedrag van € 2.858 met een boete van € 285 en een beschikking belastingrente voor een bedrag van € 230.
- HAA 17/4231: over het tijdvak 1 december 2015 tot en met 31 december 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting voor een bedrag van € 22.602 met een boete van € 2.260 en een beschikking belastingrente voor een bedrag van € 921.
- HAA 17/3655: over het tijdvak januari 2016 voor een bedrag van € 155.317.
Feiten
[WEBSITE]toegevoegd.
Geschil
Voor wat betreft de naheffingsaanslagen over jaren 2013 tot en met 2015 is in geschil of eiseres ten onrechte niet of voor een te laag bedrag verschuldigde omzetbelasting ter zake van een fictieve dienst op grond van artikel 4, tweede lid, sub a Wet OB 1968 heeft aangegeven. Verweerder beantwoordt die vraag bevestigend, eiseres ontkennend.
Beoordeling van het geschil
Proceskosten
Beslissing
mr. dr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. R. Brits, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2019.