De zaak betreft een verzoek van de GI om toestemming te verkrijgen voor wijziging van het verblijf van drie minderjarigen naar hun moeder, nadat de GI heeft besloten de machtiging tot uithuisplaatsing niet te verlengen. De minderjarigen waren sinds 2017 onder toezicht gesteld en verbleven bij pleegouders. De GI heeft een boogonderzoek afgerond waaruit bleek dat terugplaatsing verantwoord is.
De GI was zich niet bewust van de verplichting om de kinderrechter om toestemming te vragen voor deze wijziging op grond van artikel 1:265i BW. De Raad voor de Kinderbescherming heeft het besluit van de GI getoetst en geen verlengingsverzoek ingediend. Belanghebbenden, waaronder pleegmoeder en biologische vader, steunden het verzoek.
De kinderrechter oordeelt dat de GI weliswaar eerder toestemming had moeten vragen, maar dat nu geen beletselen bestaan om de wijziging toe te staan. De beschikking verleent daarom de GI toestemming om de minderjarigen terug te plaatsen bij hun moeder en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.