ECLI:NL:RBNHO:2019:6087
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.M. van Dam
- Rechtspraak.nl
Aanhouding beslissing voorlopige machtiging op grond van wet Bopz wegens gebrekkig onderzoek met tolk
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 25 juni 2019 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging voor opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de wet Bopz. Betrokkene verbleef in een penitentiair psychiatrisch centrum en er liep tevens een strafzaak waarbij een forensisch rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) een plaatsing in een forensische kliniek met artikel 37 Sr Pro adviseerde.
De rechtbank beoordeelde de overgelegde geneeskundige verklaring, waarin de psychiater betrokkene zonder tolk had gesproken ondanks diens gebrekkige beheersing van het Nederlands. De raadsman voerde aan dat dit onderzoek niet aan de wettelijke eisen voldeed en dat er geen sprake was van gevaar. De rechtbank stelde vast dat het onderzoek zonder tolk niet voldeed aan artikel 5 van Pro de wet Bopz.
Hoewel dit niet direct tot afwijzing van het verzoek leidde, besloot de rechtbank het verzoek aan te houden en de officier van justitie te verzoeken binnen twee weken een nieuwe geneeskundige verklaring te overleggen die wel aan de eisen voldoet. Tevens werd opgemerkt dat de beoordeling van de Bopz-maatregel los staat van de strafzaak en de mogelijke oplegging van een artikel 37-maatregel.
De rechtbank stelde de officier van justitie ook in de gelegenheid te informeren over de gevolgen van de strafzaakuitspraak, zodat duidelijk is of het verzoek gehandhaafd blijft en of de procedure eventueel moet worden overgedragen aan een andere rechtbank.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en verzoekt om een nieuw geneeskundig onderzoek met tolk.