Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde belanghebbende] B.V., te [plaats] ,
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, voormalig productiemedewerker, vroeg op 2 mei 2018 een WIA-uitkering aan nadat hij zich in juli 2016 ziek had gemeld. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser op de datum in geding minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, gebaseerd op rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
Eiser voerde in bezwaar en beroep aan dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld en overhandigde een neuropsychologisch rapport. Verweerder handhaafde het standpunt dat de beperkingen onvoldoende waren voor een uitkering, ondersteund door een reactie van de verzekeringsarts op het rapport.
De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, dat de klachten van eiser zijn onderzocht en dat de beperkingen objectief en gemotiveerd zijn vastgesteld. De neuropsychologische rapportage bracht geen nieuw inzicht dat tot een ander oordeel zou moeten leiden.
Ook de stelling dat ten onrechte geen beperking is aangenomen ten aanzien van handelingstempo en sociaal functioneren wordt verworpen. De arbeidsdeskundige heeft toegelicht dat de aangeduide functies passend zijn ondanks mogelijke overschrijdingen van belastbaarheid.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.